Kroniek #12: Leven in een ander klimaat dan voorheen

‘Klimaat verandert jouw regio’, was het motto van de expertdag over klimaatadaptie en water op maandag 25 september. Onder deze titel werd het dramatische, wereldwijde verschijnsel van de klimaatverandering verbonden met de eigen woonomgeving. Terwijl we proberen om de klimaatverandering af te remmen, zullen we ons ook moeten aanpassen aan de verandering die al plaatsvindt, en die nog generaties lang merkbaar zal blijven. Wat is daarvoor nodig? Hoe kan het? Wie moeten het doen?

De dag begon met een luchtige klimaatvoorspelling voor de komende 25 jaar, uitgesproken door de Haarlemse wethouder Cora-Yfke Sikkema en dijkgraaf Gerhard van den Top van het Waterschap Amstel Gooi en Vecht.

We gaan een mooie 25 jaar tegemoet, verwachtten ze, met een Frans klimaat eneen bijpassende opbloei van de wijnbouw. De chateaux in de Haarlemmermeer zullen zelfs hoger staan aangeschreven dan die in Frankrijk zelf, omdat daar de wijnen te zoet worden door de warmte.

Maar er worden ook grotere extremen in het weer verwacht, met forse regenbuien en felle stormen, afgewisseld met perioden van ernstige droogte. Er is dan een waterhuishouding nodig die hoosbuien en clusterbuien kan opvangen, en ook water kan bewaren voor droge tijden. In de steden kan ’s zomers een levensbedreigende hitte heersen. Die hitte kan worden gedempt met de koelende werking van groene daken en binnenstedelijke wateropvang.

Die toekomst is nu al begonnen, zei wethouder John Nederstigt van Haarlemmermeer in zijn welkomstwoord. Deze polder wordt iedere dag met zoet water schoongespoeld om de verzilting tegen te gaan. De buien die voorspeld zijn voor 2050, komen nu al voor, en tegelijkertijd is er in de polder een watertekort. Ook de droogte is in de afgelopen dertig jaar al merkbaar toegenomen.

Nederstigt vroeg zich af of de landbouw over vijftig jaar nog dezelfde kan zijn als nu. ‘Boeren zijn gewend hetzelfde te doen wat ze vorig jaar deden, maar het is de vraag of dat vol te houden is. Gebeurt morgen hetzelfde als vandaag, of gaan we met zevenmijlslaarzen vooruit?’

Hij waarschuwde dat we dergelijke vragen niet uitsluitend vanuit een economische logica moeten beantwoorden: ‘Besef dat wij onderdeel zijn van de natuur. Niet de economie leidt, maar de natuur. Daar kunnen we niet rücksichtslos mee omgaan.’

402,09

Na deze openingsbewegingen beklommen we de steile kliffen van de klimaatopgaven aan de hand van Gerard van der Steenhoven, directeur van het KNMI. Dat klimaatadaptatie een dringende opgave is, hoefde in dit gezelschap niet meer te worden betoogd, en daarom concentreerde hij zich op de toepassing van de specialistische KNMI-kennis op de ruimtelijke ontwikkeling.

De opwarming van de aarde sinds 1880 wordt veroorzaakt door een snelle en nog altijd voortgaande stijging van het CO2-gehalte in de atmosfeer. De laatste CO2-stand op het meetpunt Mauna Loa, Hawaii, op 19 september 2017, is 402,09 ppm (parts per million). Tienduizend jaar lang schommelde het CO2-gehalte rond 280 ppm, maar vanaf de Industriële Revolutie is het sterk aan het stijgen. Doordat CO2 warmte in de atmosfeer vasthoudt, stijgt de temperatuur op aarde mee.

Het klimaatakkoord van Parijs is van groot historisch belang, betoogde Van der Steenhoven, en het werkt ook. De wereld verplicht zich met dit akkoord de CO2-uitstoot met meer dan de helft terug te dringen – Europa met meer dan 80% – om zo de temperatuurstijging onder de 2 gaden te houden. Het is interessant te zien wat er gebeurt nu de Amerikaanse president Trump zich tegen het akkoord verzet: individuele staten, steden en bedrijven binnen de VS houden vast aan de afspraak en werken gewoon om Trump heen. Dat bewijst dat het menens is: ‘Het akkoord is geen wassen neus.’

Maar ook als het lukt om de CO2-uitstoot voldoende te reduceren, blijft de CO2 die nu in de atmosfeer zit, daar nog minstens honderd jaar. En dus blijft het reeds veranderde klimaat nog eeuwen lang bij ons, aldus Van der Steenhoven. We moeten in onze langetermijnplannen uitgaan van een ander klimaat dan voorheen.

In dit veranderde klimaat doen zich vaker weersextremen voor. De afgelopen maand gaf hiervan wereldwijd voorbeelden. Terwijl een reeks Atlantische orkanen het Caraïbisch gebied en de VS teisterden, troffen minstens zo zware overstromingen India en Bangladesh. Dichter bij huis zouden we bijna de watersnoodramp in Livorno, Italië, over het hoofd zien. Allemaal in dezelfde weken.

Dergelijke extremen komen vaker voor dan vroeger, ze worden intenser en de schade die ze veroorzaken neemt toe. Ook groeit de kans dat meerdere vormen van natuurgeweld samenvallen; de aardbevingen in Mexico en de Caraïbische orkanen zijn elkaar ditmaal maar net misgelopen.

Hitte en droogte

Ook in Nederland worden de extremen scherper. Nu al zijn er driemaal zo vaak extreme buien als voorheen. We moeten de afvoercapaciteit en de veiligheid van ons watersysteem naar een nieuw, hoger peil brengen. Dat is een megaopgave die tegelijkertijd op iedere plaats maatwerk vereist.

Het KNMI heeft, samen met zijn internationale collega’s in de World Meteorological Organization (WMO), zeer veel kennis die hierbij van pas komt. Maar het KNMI is er nog niet zo goed in om die kennis over te dragen aan iedereen die verantwoordelijk is voor stads- en landschapsontwikkeling, vond Van der Steenhoven. ‘Daar is nog veel te winnen.’

Een eerste instrument is de regionale ‘stresstest’ die met een computermodel de klimaatbestendigheid en waterrobuustheid van een gebied berekent. Er bestaan meerdere van deze testen en sommige gemeenten en regio’s hebben er al een uitgevoerd. Het is verstandig om de test te uniformeren, en overal uit te voeren.

Vervolgens kan het KNMI stedelijke klimaatscenario’s maken, waarin de relevante factoren in kaart zijn gebracht, zoals het hitte-eiland-effect, hoosbuien, droogte en hittegolven. Ook wordt gekeken naar de samenhang tussen klimaatverandering en luchtkwaliteit.

De hittegolf is overigens het dodelijkste natuurfenomeen van Europa, zo benadrukten Van der Steenhoven en andere sprekers. In de top-tien van ergste rampen die het Rode Kruis jaarlijks opstelt, stonden in 2015 vier hittegolven. De Franse hittegolf uit dat jaar stond op de tweede plaats en werd in dodental slechts overtroffen door de aardbeving in Nepal.

Hitte zorgt voor slaapverstoringen en verslechtering van het cognitief functioneren, zo memoreerde Bart Poelman (GGD Kennemerland) de effecten op de gezondheid. Ook gaan mensen slechter autorijden, met alle risico’s van dien. Er zijn voorts indirecte gezondheidsrisico’s: als de bodem opwarmt, dan warmen ook de waterleidingen op, en dat vergroot de kans op legionella.

Het omgaan met hitte moet daarom een vast onderdeel zijn van iedere klimaatadaptieve stadsplanning. Opwarming van de bodem kan worden tegengegaan met meer wateropvang en meer vegetatie, wat tevens kan bijdragen aan een prettiger leefomgeving.

Ook het droogteprobleem vereist veel aandacht, betoogde later op de dag Dolf Kern (Hoogheemraadschap van Rijnland). Niet wateroverlast maar droogte veroorzaakt, ‘als een sluipmoordenaar’, het leeuwendeel van de financiële schade.

Bijna terloops werd ook de kwaliteit van het drinkwater genoemd als een aandachtspunt.

300 mm

Met de twee instrumenten stresstest en stedelijk klimaatscenario helpt het KNMI bestuurders en ontwerpers om hun werk beter te doen. Maar daarnaast moet het besef doordringen dat het in een klimaat met grotere weersextremen onmogelijk (want onbetaalbaar) zal zijn om alle risico’s uit te sluiten, aldus Van der Steenhoven.

Hij liet als illustratie de gevolgen zien van de hevige hoosbuien eind juli 2014. Op veel plaatsen in Nederland stonden de straten blank. Daar valt misschien in de toekomst iets aan te doen, maar dat geldt niet voor de nog veel extremere neerslag die op dezelfde dag vlak over de grens in het Duitse Münster viel, namelijk 300 mm binnen een etmaal. Zo’n bui kan ook in Nederland vallen, en we zullen moeten accepteren dat geen enkel afvoersysteem die massa water kan verwerken.

Ook hittegolven zijn niet volledig te vermijden, en dan moeten we voorbereid zijn om de gevolgen te dempen. Bijvoorbeeld met een vroegtijdig waarschuwingssysteem. Meteorologen kunnen een hittegolf steeds eerder zien aankomen, al bijna twee weken in plaats van een paar dagen van te voren. Met die kennis kan een early warning-systeem boeren, bejaardenhuizen en anderen voldoende tijd geven om voorbereidingen te treffen.

Overigens kan het nog extremer dan deze extremen. Terwijl nu wordt uitgegaan van een zeespiegelstijging van een meter, zou het door een versnelde afkalving van het Noordpoolijs ook 2,5 tot 3 meter kunnen zijn. Om nog te zwijgen van het vrijkomen van het broeikasgas methaan zodra de permafrost smelt. Dan komen we op weer een hoger level van noden en opgaven.

Concreet: als de zeespiegel twee of drie meter stijgt, wordt de afwatering van het IJ bij de zeesluis van IJmuiden bijzonder lastig. Daar is nog geen oplossing voor, maar het is iets om de rest van de eeuw in het achterhoofd te houden.

Sneller en planmatiger

Voor de toepassing van deze kennis heeft het kabinet op Prinsjesdag het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie uitgebracht, dat nu werd toegelicht door Sofie Stolwijk (IenM, Deltaprogramma).

Nederland moet in 2050 klimaatbestendig zijn, en alle maatregelen die daaraan meewerken moeten al vanaf 2020 een vast onderdeel zijn van het overheidsbeleid. Niet alleen bij het rijk maar bij alle overheidslagen, want het Deltaplan is geen rijksplan maar een nationaal plan.

Handelen is dringend nodig, want, aldus het plan: ‘Als we niets doen, kan de schade in onze steden oplopen tot zo’n € 70 miljard in de periode tot 2050.’ De huidige aanpak is niet voldoende. Het moet sneller en planmatiger, aldus Stolwijk: ‘We zijn voorbij de fase van alleen maar goede voorbeelden, iedereen moet aan de slag. De voorhoede kan voor blijven lopen, maar we willen dat ook het peloton en de achterblijvers aanhaken.’

Alle grote vraagstukken komen aan bod in het Deltaplan: wateroverlast, hittestress, overstroming en droogte. De doelen zijn samengevat in zeven ambities, die duidelijk maken dat het zware werk op lokaal en regionaal niveau moet plaatsvinden, terwijl het rijk zichzelf een lichte rol toebedeelt.

Ten eerste moeten we weten wat er aan de hand is. Daarom moeten in de loop van 2018 in heel Nederland regionale stresstesten worden uitgevoerd. Ten tweede moeten we het eens worden over de vraag welke risico’s we willen uitbannen en welke we accepteren. In het Deltaplan ontbreekt een norm voor ‘klimaatbestendigheid’, omdat het rijk vindt dat die norm in dialoog moet worden vastgesteld. Dat moet in 2019/2020 zijn afgerond. Ten derde moeten overal in het land overzichten worden gemaakt van concrete plannen. Deze lokale uitvoeringsagenda’s moeten in 2020 klaar zijn. Ten vierde moet de klimaatadaptatie niet als een geïsoleerde opgave worden uitgevoerd, maar zoveel mogelijk worden gecombineerd met andere opgaven, bijvoorbeeld de energietransitie en de circulaire economie. Er moeten dus liaisons worden gesmeed met ‘meekoppelende belangen’.

In de vijfde plaats moet worden voorkomen dat iedere regio het wiel opnieuw uitvindt, onwetend van de vondsten van anderen. En dus komt er een platform ‘Samen klimaatbestendig’, bedoeld om kennis uit te wisselen. Ook is er een Stimuleringsprogramma Ruimtelijke Adaptatie, waaraan het rijk 1 miljoen euro per jaar bijdraagt, en een Kennisportaal Ruimtelijke adaptatie. Er zijn plannen voor een internationaal kenniscentrum, het Global Centre of Excellence on Climate Adaptation, te vestigen in Nederland. Van gemeenten en provincies wordt verwacht dat zij regionale stimuleringsprogramma’s opzetten.

Ten zesde heeft het rijk de taak om te regelen en te garanderen dat dit alles ook echt wordt gedaan. Klimaatadaptatie moet worden geïntegreerd in Omgevingsvisies, misschien zijn er aanvullende wetten en regels nodig, en eventueel prestatierichtlijnen zoals bij het duurzaam bouwen. En tenslotte moet er een plan komen voor het handelen bij calamiteiten.

Het zwaartepunt ligt dus op lokaal en regionaal niveau. Maar het rijk beseft dat het zelf ook iets moet doen; hoe dat precies wordt georganiseerd, moet uiterlijk 1 januari 2018 duidelijk zijn. De structuur op nationaal niveau zal waarschijnlijk aansluiten bij de bijzondere organisatievorm die al voor het Deltaprogramma is uitgewerkt.

Waar zit de harde kant?

In de discussie konden veel zaken worden afgevinkt waarover iedereen het eens is. Klimaatadaptatie is geen zaak van overheden alleen, maar ook van beleggers, burgers en ngo’s, die zich in een breed netwerk moeten verbinden. En dus moet de kennis ook in brede kring worden uitgedragen, aan gemeenteraadsleden, ondernemers en burgers. Burgers kunnen alleen al bijdragen aan een betere adaptatie door en masse de verharding in hun tuinen te verminderen.

Robbin Knuivers (Ruimtevolk) pleitte ervoor om met name water te gebruiken als een verbindend element tussen ruimte en klimaat. Harry Boeschoten (Staatsbosbeheer) wees, in het verlengde hiervan, op de waarde van een groenblauw netwerk ‘dat als een nutsvoorziening alle huizen in stad en land verbindt’. Het ligt er voor een deel al, maar moet nog worden voltooid, en het kan goed aan de klimaatopgave worden gekoppeld.

Intussen moet er een groot financieel vraagstuk worden getackeld, want de waardeberekening van onroerend goed gaat nu nog uit van een levensduur die in deze tijden van klimaatverandering bij lange na niet wordt gehaald. ‘En dan heeft de volgende generatie een groot probleem’, zo werd vanuit de zaal opgemerkt.

‘Het is belangrijk om de vrijblijvendheid uit de adaptatieopgave te halen’, zei een ander. Op dit punt was niet iedereen tevreden over de inzet van de rijksoverheid. Waarom komt het rijk zelf niet met een duidelijke definitie van klimaatbestendigheid? Is 1 miljoen euro per jaar voor een stimuleringsprogramma niet erg karig?

‘Eén miljoen per jaar is een druppel op een gloeiende plaat’, reageerde de Haarlemse wethouder Cora-Yfke Sikkema: ‘In Haarlem zijn we alleen al 350.000 euro kwijt aan proceskosten. En dat is dan maar één gemeente.’ Ook zij wenste meer inhoudelijke betrokkenheid van het rijk: ‘Zet een stip aan de horizon die duidelijk maakt wát we moeten bereiken. Het hoe kun je dan aan ons overlaten.’

Een van de risico’s voor een geslaagd adaptatieprogramma is het gelijktijdige voornemen om nog eens een half miljoen woningen te bouwen in West-Nederland, merkte Boeschoten op: ‘Hoe verhoudt zich dat tot de vraagstukken van water, hitte en droogte? Het vereist strakke kaders van de overheid om de combinatie van klimaatadaptatie en zo’n grote bouwoperatie goed te laten verlopen, en die strakke kaders zie ik nog niet. De urgentie van de opgave vereist een stok achter de deur. Daarom: waar zit de harde kant?’

‘Het is koorddansen’, zo viel Jandirk Hoekstra (vertrekkend Provinciaal Adviseur Ruimtelijke Kwaliteit, Noord-Holland) hem bij: ‘We moeten ruimte maken voor het watersysteem, op alle niveaus, terwijl we tegelijkertijd moeten bijbouwen en verdichten. Dat gaat niet vanzelf goed.’

Rainproof

De regionale ontwerpsessies die onderdeel van deze expertdag was, leverden goede aanzetten op, maar ook de indruk dat de klimaatadaptatie vorm moet krijgen onder gebrekkige randvoorwaarden doordat de organisatie gefragmenteerd is. en er was alom de wens om boven deze verbrokkelde werkwijze uit te stijgen.

‘Binnenstedelijke watervraagstukken worden meestal binnenstedelijk aangepakt, buitenstedelijke opgaven worden buiten de stad aangepakt; er is weinig wisselwerking’, zo werd na afloop van de sessie opgemerkt.

Een andere deelnemer zei: ‘Het land is zo georganiseerd dat we bijna automatisch binnen ons eigen hokje blijven; dat geldt niet alleen voor de verdeling tussen stad en land, maar binnen de stad ook voor de scheiding tussen stedenbouw en groenbeheer. Dat moet anders, en daarvoor moet de organisatie op de schop.’

Een vergelijkbaar voorbeeld: ‘Amsterdam kent veel fantastische klimaatinitiatieven, zoals “Amsterdam Rainproof”, maar die kunnen veel meer worden gekoppeld. Amsterdam ontbeert nog een samenhang scheppende klimaatvisie.’ Er ontbreekt nog meer. Zo heeft de Metropoolregio Amsterdam geen woningbouwvisie, anders dan een kwantitatieve, sectorale doelstelling. Dat maakt het moeilijk om de woonvisie en de klimaatvisie af te stemmen.

Rolf Steenwinkel (Waterschap Amstel Gooi en Vecht) was blij dat het waterschap sinds kort ook mag meespreken in de metropoolregio: ‘Wij kunnen vanuit onze kennis een verbinding leggen tussen stad en land.’ Het is wel weer wonderlijk, aldus Steenwinkel, dat de gemeente Ronde Venen niet meedoet in de scenario’s voor de metropoolregio, alleen omdat ze toevallig net over de provinciegrens in Utrecht ligt. Wie ‘over grenzen wil kijken’, zoals bestuurders graag zeggen, kan nog even vooruit.

Hoe ‘the Dutch’ het doen

Jandirk Hoekstra systematiseerde deze opmerkingen door te benadrukken dat de klimaatadaptatie een opgave is die door alle schaalniveaus heenloopt. ‘Er wordt al snel gekeken naar de schaal van buurt en wijk. Daar zitten inderdaad belangrijke knoppen om aan te draaien, zoals het riool en de verharding. Maar je moet ook op de schaal daarboven toeslaan, de schaal van polders en regio’s.

‘Om Amsterdam als voorbeeld te nemen: daar moet je kijken naar het individuele huis en dak, naar buurt en wijk, naar de publieke ruimte in de wijk en de hele stad, naar de stadsranden en de overgang naar het buitengebied, naar het boezemsysteem. Er ligt ook nog een veenweidegebied binnen de gemeentegrens, Waterland, dat misschien een heel andere toekomst moet krijgen vanwege de bodemdaling. Stel je voor dat je dat gebied natter maakt, wat betekent dat voor de stad, voor hitte, koelte en recreatie? Veenweidecomplexen zijn een regionaal en zelfs nationaal probleem, dus moet het misschien samen met Purmerend.’ (Voor de bodemdaling, zie Kroniek #14.)

Er klonk vanuit de sessies een ‘pleidooi voor recentralisatie’ voor zover de decentralisatie van taken naar gemeenten tot patstellingen heeft geleid. Sommige onderdelen van het klimaatprobleem zijn te groot voor de gemeentelijke schaal, en een oplossing loopt dan ook stuk op de ingegraven posities in de lokale politiek. ‘Daar is de hulp nodig van een nationale strategie.’

Dat het probleem ingewikkeld is, en de bestuurlijke orde ook, mag niet leiden tot een verbrokkelde aanpak, waarschuwde Hoekstra. Er is weinig tijd te verliezen: ‘We hebben een lange adem nodig, dus moeten we snel beginnen en het lang volhouden.’

Deze nationale opgave heeft ook een internationale dimensie, zo werd vanuit de zaal opgemerkt: ‘Heel de wereld kijkt mee hoe “the Dutch” het doen. Onze deskundigheid kan een exportproduct zijn, en we hebben mondiaal een maatschappelijke voorbeeldfunctie. Wat wij doen, kan ook relevant zijn voor de andere 500 metropoolgebieden ter wereld.’

Geld

Klimaatadaptatie kost onvermijdelijk veel geld. In zekere zin moeten we de achterstallige prijs betalen voor ruim een eeuw profijt van CO2-producerende fossiele brandstoffen. De adaptatie kan voor een deel worden betaald door hetzelfde geld dat we toch al moeten uitgeven, op een andere manier uit te geven. Maar er moet ook geld bij. Alleen al het aanpassen van alle kademuren in Amsterdam kost al gauw een miljard, aldus Rolf Steenwinkel.

Hoeveel de klimaatadaptatie in totaal zal kosten, is nog niet helder. De summiere financiële paragraaf van het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie meldt dat de noodzakelijke kosten in de komende jaren duidelijk moeten worden. Voorlopig volstaat een eerste schatting van de kosten voor het rijk, de gemeenten en de waterschappen tot 2025. Wie deze cijfers optelt, komt tot een totaal van ongeveer 4 miljard euro tot 2025.

Eerder op de dag had Sofie Stolwijk geschat dat de schade tussen nu en 2050 zou kunnen oplopen tot 70 miljard euro als we niets aan klimaatadaptatie doen. Ook haalde ze Deltacommissaris Wim Kuijken aan, die schat dat preventieve maatregelen tot zeven maal goedkoper zijn dan het herstellen van schade na een ramp. Uit de combinatie van deze twee cijfers volgt dat er voor de preventieve maatregelen die we klimaatadaptatie noemen, in totaal 10 miljard euro nodig zal zijn. Maar klopt dat? Het bedrag lijkt aan de lage kant, als alleen al de kademuren van Amsterdam een miljard kunnen kosten.

Helaas werd er op dit punt niet teruggekoppeld naar de actualiteit van de Amerikaanse orkanen. Vooral de gevolgen van orkaan Harvey voor Houston en omgeving zijn relevant. De metropoolregio Houston ligt in een kwetsbaar laagland aan de kust, telt 6,6 miljoen inwoners, en als het een afzonderlijk land was, zou de economie dankzij de zware industrie, de olie en de havens groter zijn dan die van Polen of Zweden. Het heeft, kortom, een zekere verwantschap met West-Nederland.

Schattingen van de schade die Harvey aanrichtte, lopen uiteen tussen 65 miljard en 190 miljard dollar. Een relatief kleine post daarbinnen is de verliespost van een half miljoen verwoeste auto’s: circa 5 miljard dollar.

Vlak na Harvey werden andere delen van de VS getroffen door de orkanen Irma (50 tot 100 miljard) en Maria (8 miljard dollar alleen al op Puerto Rico). Dat maakt 2017 tot een uitzonderlijk hevig orkaanjaar.

Maar ook in andere jaren is de orkaanschade in de VS niet mals. Volgens cijfers van de Amerikaanse rekenkamer, CBO, veroorzaken orkanen in de VS een schade van gemiddeld 28 miljard dollar per jaar. In 2075 zal dit naar verwachting zijn gestegen tot 39 miljard per jaar; de helft van de toename wordt veroorzaakt door klimaatverandering, de andere helft door voortgaande ontwikkeling langs de kust. Let wel, het gaat hier uitsluitend om schadebedragen na een ramp, en niet om investeringen bedoeld om het gebied voor de volgende keer beter te beschermen.

De Amerikaanse bevolking is ongeveer 20 keer zo groot als de Nederlandse, en de Amerikaanse economie eveneens. Vertaald naar Nederlandse proporties zou de Amerikaanse stormschade dus 1,4 miljard per jaar bedragen, oplopend tot 2 miljard in 2075.

In werkelijkheid ligt de Nederlandse schade veel lager, zo meldde de NOS eerder dit jaar: ‘Gemiddeld is de jaarlijkse stormschade in Nederland zo’n 50 miljoen euro.’

Toegegeven, de cijfers zijn niet volledig te vergelijken; maar de duizelingwekkende schadecijfers uit de metropoolregio Houston helpen onwillekeurig om onze eigen financiële mores in perspectief te plaatsen.

Tekst: © Landschapstriënnale
Foto: © Daniel Nicolas

Deel dit bericht

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin
Share on whatsapp
Share on email
Share on print

Op de hoogte blijven van ons programma?

Schrijf je in voor de nieuwsbrief.

Follow us
#landschapstriennale

© Landschapstriennale | Privacy statement