Kroniek #11: Rekenen en tekenen met energie Door Fred Feddes, landschapstriënnalechroniqueur

Nederland moet radicaal omschakelen naar een energiehuishouding waarin aardgas, aardolie en steenkool zijn vervangen door hernieuwbare bronnen als zon, wind en aardwarmte. Het is een operatie van historische proporties, die in enkele decennia moet plaatsvinden, en die in hoge mate het landschap van de toekomst zal vormen. Over de energietransitie zelf en over de ruimtelijke dimensie handelde de studiedag ‘Energielandschappen’ op vrijdag 22 september. De landschapstriënnalechroniqueur was erbij.

De energietransitie is misschien wel de meest duizelingwekkende wereldwijde opgave van de komende decennia. We moeten een energiesysteem afbouwen dat ons een bijna ongelimiteerde energieconsumptie toestond, en we moeten het vervangen door een complexer systeem waarin hetzelfde peil veel moeilijker te handhaven zal zijn. Het is een technisch en organisatorisch razend lastige megaoperatie, terwijl tegelijkertijd het maatschappelijk vertrouwen in bestaanszekerheid fundamenteel wordt beproefd.

De meest urgente reden voor de energietransitie is dat een vermindering van de CO2-uitstoot met 80 tot 95% noodzakelijk is om de klimaatverandering af te remmen. De transitie is daarnaast noodzakelijk omdat fossiele brandstoffen in snel tempo schaars worden, en uit geopolitieke overwegingen.

De energietransitie gaat gepaard met een ingrijpende verandering van het landschap. Konden we tot nu toe de fossiele brandstoffen discreet aanvoeren, in de toekomst zal onze energiebehoefte zich onloochenbaar aftekenen in de eigen leefomgeving, in de vorm van windturbines en velden vol zonnepanelen. De energielandschappen die ons ten dienste staan, liggen niet langer voorbij de horizon in Saoedi-Arabië en de Nigerdelta, maar bij ons om de hoek of op z’n verst op de Noordzee.

Over die ruimtelijke dimensie van de energietransitie ging het tijdens ‘Energielandschappen’. Het was een dag van rekenen en tekenen, om de immense opgave voorstelbaar te maken, en te oefenen met de mogelijke uitvoering. Terwijl het gewicht van de opgave als een donkere wolk boven de dag hing, bleef de toon toch behoorlijk licht. Het zal het ‘ingenieursoptimisme’ zijn, dat dagvoorzitter Paul Gerretsen in de zaal proefde. Het is een geclausuleerd optimisme dat ongeveer hierop neerkomt: het is een enorme en misschien wel krankzinnige klus, maar als je het van de zonnige kant bekijkt en slim puzzelt, en als je niet teveel tijd en energie verspilt aan gedoe, dan kunnen we het klaren.

Voorstelbaar

Boek 'Energie en Ruimte'

Boek ‘Energie en Ruimte’

De enormiteit van de energietransitie is voor veel mensen nog bijna niet voor te stellen, en toch is zo’n voorstelling hard nodig. Tijd om te treuzelen is er niet meer, en om adequaat te handelen is een helder beeld van de opgave gewenst. Vandaar de denkoefening ‘Energie & Ruimte. Een Nationaal Perspectief’ die op deze dag werd gepresenteerd door landschapsarchitect Dirk Sijmons.

Het Nationaal Perspectief 2050 is een coproductie van Dirk Sijmons en een aantal bureaus met bij voorkeur typografisch ingewikkelde namen: FABRICations, H+N+S Landschapsarchitecten, POSAD spatial strategies, Studio Marco Vermeulen, NRGlab/Wageningen University en de Vereniging Deltametropool, terwijl de publicatie is vormgegeven door 75B. Gelijktijdig verscheen een special van het tijdschrift Blauwe Kamer over hetzelfde thema.

De eerste exemplaren van ‘Energie & Ruimte’ werden plechtig overhandigd aan Donné Slangen (directeur Gebieden en Projecten, ministerie IenM) en Jack van der Hoek (gedeputeerde Noord-Holland). ‘Het kabinet is nu aan zet’, zei Slangen: ‘Ruimte moet een plek krijgen in het energiebeleid.’

In de denkoefening is de complete energietransitie van Nederland tussen nu en 2050 zo eenvoudig en compact mogelijk samengevat. De opgave is gestroomlijnd tot de kerncijfers met een beperkt aantal variabelen. De uitgangspunten, doelen, aannamen en randvoorwaarden zijn zoveel mogelijk ontleend aan vastgesteld beleid, en als dat niet kon, blijven ze in de geest van het klimaatakkoord en binnen de marge van wat als technisch haalbaar kan worden aangenomen.

Het is een realistisch scenario, maar binnen de marges van het realisme zit het wel aan de optimistische kant; het neemt bijvoorbeeld aan dat 25% energiebesparing haalbaar is en in 2050 op 90% van de Nederlandse daken zonnepanelen zullen liggen. In dit onbeschroomde optimisme schuilt ook de polemiek. Wie aanhikt tegen de voorstellen, wordt uitgedaagd ze door andere te vervangen die tenminste evenveel energie produceren. Andere spelregels die Sijmons c.s. hanteerde, waren dat de energiewinning zoveel mogelijk op zee plaatsvindt, en dat het zonder kernenergie moet kunnen.

Kerncijfer: 1.965

De hoofdlijnen van onze energiecultuur blijken behoorlijk overzichtelijk te zijn. Nederland gebruikt op dit moment tussen de 3.000 en 3.500 petajoule (PJ) aan energie per jaar. In 2015 was het 3.087 PJ, en dat is in deze denkoefening als uitgangspunt genomen. De energie komt voor meer dan 90% uit de fossiele brandstoffen aardgas, aardolie en steenkool.

In 2050 moet het energieverbruik onherkenbaar van samenstelling en omvang zijn veranderd. De energie moet dan voor 90% uit hernieuwbare bronnen komen, en het totale verbruik moet flink omlaag. In Sijmons’ scenario verbruikt Nederland tegen die tijd 2.165 PJ per jaar. Een deel van de besparing wordt bereikt door bewust beleid waartoe de overheid zich reeds heeft verplicht. Ook is een ‘transitiebonus’ ingecalculeerd: de energieverliezen die eigen zijn aan fossiele brandstoffen (warmteverlies, transport) verdwijnen. Helemaal zonder fossiele bronnen kunnen we waarschijnlijk in 2050 nog niet. In het Nationale Perspectief is een stelpost van 200 PJ fossiele energie opgenomen, circa 10% van het totaal, bedoeld voor de fabricage van onder meer staal, aluminium en cement.

Per saldo moet in 2050 dus 1.965 PJ worden gewonnen uit niet-fossiele bronnen. Ziedaar het kerncijfer van de energietransitie.

Windmolens op zee kunnen een deel van deze energie leveren. Er is veel ruimte maar het rendement van windenergie is relatief bescheiden. In het eerdere onderzoek ‘2050 – An Energetic Odyssee’ (IABR, 2016) heeft Sijmons de mogelijkheden onderzocht om op de Noordzee 25.000 grote windturbines te plaatsen. Het Nederlandse deel zou jaarlijks 500 PJ kunnen leveren, oftewel een kwart van de totale behoefte van 1.965 PJ.

Er is dan nog circa 1.500 PJ te gaan. ‘De kop is eraf’, stelde Sijmons vast, maar er moet op land nog heel veel gebeuren.

Windenergie op het land kan 100 PJ leveren door opwaardering van bestaande windturbines, aanleg van nieuwe grootschalige parken, en de bloei van lokale windondernemingen. Zonne-energie kan 200 PJ verzorgen, mits alles uit de kast wordt gehaald: zonnepanelen geïntegreerd met infrastructuur (geluidsschermen, tussen de rails, in snelwegknooppunten), op vrijwel alle daken van het land, en op een enorm areaal aan ‘zonnevelden’ of ‘zonne-akkers’, bijvoorbeeld op landbouwgronden die door zoute kwel voor de landbouw onrendabel zijn geworden. Sijmons: ‘Voor een boer kan het verbouwen van elektriciteit interessanter worden dan het verbouwen van uien.’

Voorts kan er energie komen uit diverse warmtebronnen, zoals omgevingswarmte (170 PJ), restwarmte uit de industrie (200 PJ) en aardwarmte of geothermie (400 PJ). Bij geothermie wordt heet water van grote diepte opgepompt, benut voor verwarming en geretourneerd. Hoe dieper je boort, hoe heter het water is; op 2 km diepte is het 80 graden Celsius. Nog een beloftevolle bron is ‘groen gas’, dat ontstaat uit vergisting van mest. Het is vooral interessant in delen van het land met een grote veestapel, zoals Friesland en Overijssel, en het kan mogelijk 50 PJ opleveren.

Er resteert in het Nationaal Perspectief dan nog een energiebehoefte van 317 PJ. Dat kan komen uit biomassa. ‘Meer dan dat moet je niet willen’, waarschuwde Sijmons. Biomassa levert per hectare extreem weinig energie op, Nederland is er te klein voor, en dus moet de biomassa worden geïmporteerd. Bovendien: ‘Als je speciaal voor energiedoeleinden biomassa gaat telen, kost dat zoveel ruimte dat het frontaal in botsing komt met de wereldvoedselvoorziening.’

Ter aanvulling op de transitie zijn er nog andere manieren om CO2 terug te dringen. Urgent is de aanpak van de bodemdaling in veengebieden, die nu een grote bron van CO2- en methaanuitstoot is. Ook is er de mogelijkheid van CO2-opslag in de bodem, bijvoorbeeld op zee. In de rekenoefening is niet al te veel gespeculeerd op opzienbarende technische doorbraken in de toekomst, maar er is wel rekening gehouden met de mogelijkheid van energieopslag door middel van waterstofproductie. Om die reden heeft de elektriciteitsproductie een overmaat gekregen. Voor wie dacht dat het plaatje hiermee rond is, had Sijmons een domper: ‘Er zijn nog een paar harde noten te kraken: de scheepvaart en de luchtvaart.’

Zelfbewuste overheid

Maar de hardste noot is de governance van de energietransitie. De omschakeling moet op ieder schaalniveau gebeuren, van het individuele huis tot en met de wereldschaal, en geen enkele overheid of andere betrokkene kan het zich veroorloven weg te duiken. Wie doet wat? Wie leidt, coördineert of regelt alle afzonderlijke acties, wie brengt ze met elkaar in verband? Wat moet en kan de overheid doen, en welke overheid?

Het zijn vragen waar in Nederland tot dusver nogal omheen wordt gedrenteld. De overheid is lange tijd stil geweest, constateerde Sijmons, en we zijn achterop geraakt bij Duitsland en Denemarken. ‘Nederland heeft, eufemistisch uitgedrukt, een kennisachterstand opgelopen.’ Donné Slangen, van het ministerie, sprak het niet tegen. ‘We moeten de tijd nemen om na te denken, en daarna snelheid maken in de uitvoering. Maar we starten nu wel erg langzaam op. Tempo is belangrijk.’

Ook het bestuurlijke handwerk lijkt te stagneren, bij het verwerven van maatschappelijk draagvlak en bij het organiseren van effectieve bestuurlijke samenwerking. De opbouw van een radicaal nieuw energiesysteem zorgt voor bestuurlijke onwennigheid die nu al tot uitdrukking komt bij beslissingen over elektriciteitsopwekking door wind- en zonne-energie. En, voorspelt Sijmons: ‘Het benutten van warmte-energie is waarschijnlijk bestuurlijk nog ingewikkelder dan elektriciteit.’

Daarom strekt het Nationaal Perspectief 2050 zich ook uit tot een articulatie van de rijkstaak. Er zijn veel dingen die het rijk niet hoeft te doen, maar het moet wel doen wat niemand kan. Het rijk moet, betoogde Sijmons, een reële CO2-prijs vaststellen, pakweg 175 euro per ton. Het kan daarmee de transitie in beweging zetten: ‘Zo kan de overheid de onzichtbare hand van de markt ertoe bewegen om groene handschoenen aan te trekken.’

Het rijk ontplooit zich idealiter als een entrepreneurial state, zelfbewust, sturend en innovatief, in het besef dat historisch gezien de meeste innovaties tot stand komen bij de overheid, of dankzij de overheid die nieuwe ontwikkelingen financiert. Uiteraard moet het rijk over een lange termijn vasthouden aan zijn langetermijndoelen. Het is goed dat het rijk initiatieven van onderop, maar hierbij past het besef dat deze initiatieven niet voldoende zullen zijn om aan de maatschappelijke energievraag te voldoen. Het rijk moet zichzelf en anderen experimenteerruimte gunnen.

De energietransitie moet niet alleen als een technisch of financieel probleem worden behandeld, aldus Sijmons, maar ook als een maatschappelijke en culturele opgave. Bij zo’n culturele agenda zou een werkwijze in de traditie van de Duitse IBA (Internationiale Bauaustellung) goed passen. En het rijk moet opletten dat de energietransitie geen bron van sociale ongelijkheid wordt.

Gedrag en landschap

Dat was de klare lijn van de opgave, nu is het tijd om dat in te kleuren. Dat gebeurt met een oneindig veel bonter palet aan kleuren, lijndikten en arceringen, en met een nog zoekende, oefenende pen.

De ruimtelijke dimensie van de energietransitie zal overal merkbaar zijn, betoogde Boris Hocks (POSAD), die meewerkte aan het Nationaal Perspectief. Zodra je energie wilt besparen, verandert er iets in je directe omgeving. Neem alleen al het energetisch inpakken van je huis. Als je in een rijtjeswoning woont, pak je dan de hele rij samen in, of doet ieder het op zijn eigen manier? Wat betekent dat voor het besparend effect, het uiterlijk en de manier van samenleven in de straat? En als je wilt besparen door je gedrag te veranderen, bijvoorbeeld door minder auto te rijden, hoe doe je dat? Kun je dichter bij je werk wonen zodat je kunt fietsen? Wat verandert er dan nog meer?

Er ontstaan directere verbanden tussen je eigen gedrag en de inrichting van het landschap: hoe zuiniger we zijn met energie, hoe minder windturbines of zonnevelden er nodig zijn. Wat is dan onze keuze? Ruimtelijke gevolgen zijn er ook op andere schaal: als we meer elektriciteit gebruiken, is er een zwaarder netwerk voor elektriciteitsdistributie nodig, en dat heeft ruimtelijke effecten. Hocks: ‘Je sleept grootschalig met energie, en je hebt dus ook grote structuren in het landschap nodig.’

Hocks schetste de verschillende vormen die de energietransitie kan aannemen. Het kan worden gezien als één samenhangend systeem, of als een verzameling van vele grotere een kleinere bewegingen, of als een combinatie van die twee. Energieprojecten kunnen van bovenaf of van onderop komen, en ze kunnen landschappelijk worden ingevoegd of een geheel nieuwe vorm op het bestaande landschap leggen. Er kunnen grote windparken komen, strak in het gelid of in lossere plukjes, maar er zijn ook kleinschalige ingrepen, zoals het elektrificeren van het busnet of het installeren van een coöperatieve dorpsmolen. Maar is die dorpsmolen nog even charmant als achthonderd andere dorpen er ook een nemen?

Een territoriale uitwerking kwam van stedenbouwkundige Marco Broekman, die verkende hoe de Metropoolregio Amsterdam (MRA) de transitieopgave kan benaderen. De vraagstelling is hier hoe de energietransitie kan worden verbonden met de voorgenomen bouw van 240.000 extra woningen tot 2040 en een even onstuimige groei van de bedrijvigheid. ‘Hoe kan de energietransitie ook de agenda bepalen van andere programma’s?’

Het wordt een enorme klus, daar in de metropoolregio, want tegen alle groei in moet het energieverbruik omlaag, van 230 PJ per jaar nu naar 176 PJ in 2040. En dat in een gebied met grootverbruikers zoals Tata Steel met 40 PJ per jaar (tweemaal alle Amsterdamse huishoudens) en de grote datacentra met 3,5 PJ (eenmaal Zaandam). De verkenning maakt duidelijk dat de MRA niet volledig zelfvoorzienend kan worden. Als alles op alles wordt gezet, is het maximale potentieel waarschijnlijk 142 PJ, dus nog ruim onder de vraag van 176 PJ. En dan zijn de echte megaverbruikers in de regio nog buiten de MRA-sommen gehouden: Schiphol (nu 230 PJ) en de scheepvaart (214 PJ).

Wat de MRA wel kan doen is een andere manier van planning aanleren. Het transit oriented design (TOD), waarin vervoerslijnen en knooppunten sturend zijn, moet worden vervangen door energy oriented design (EOD) waarin energiestructuren het ruimte-organiserend principe vormen. Voor het bestaand stedelijk gebied is een pluriforme en verfijnde aanpak gewenst, die rekening houdt met de verschillen tussen wijken uit verschillende perioden, tussen woonwijken en bedrijvengebieden, en hoogbouw en middelhoog- of laagbouw. Vanuit energieperspectief verandert de stadsplattegrond in een patchwork-kaart.

Oefenen

‘We moeten oefenen’, zei Marlijn Baarveld van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), naar aanleiding van het ontwerpend onderzoek ‘Energielinie’ dat eerder deze maand op de Landschapstriënnale is gepresenteerd, en de open oproep ‘Nieuwe energie voor het landschap’ die de RCE samen met het Stimuleringsfonds voor de Creatieve Industrie heeft doen uitgaan.

‘Energielinie’ is een interessante oefening omdat de energieopgave hier was geprojecteerd op de UNESCO Werelderfgoedgebieden van de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam. De nieuwe opgave moest zich hier tot gevoelige cultuurhistorische waarden verhouden. Baarveld: ‘Als het in een Werelderfgoedgebied kan, dan kan het ook elders.’

Baarveld wees erop dat de energietransitie in zekere zin teruggrijpt op een eerdere historische werkelijkheid. Veel van de karakteristieke Hollandse landschappen zijn in feite energielandschappen, die in de loop van eeuwen gevormd zijn door de winning van veen en turf, door het gebruik van hakhout en de bouw van molens. Het nieuwe energielandschap voegt zich in die reeks.

Wel neemt de snelheid van de veranderingen toe. Ook is er een belangrijke ontwikkeling in zichtbaarheid: eeuwenlang was het energiesysteem bovengronds zichtbaar, het is een eeuw lang grotendeels ondergronds geweest, en nu moet het weer bovengronds worden gerealiseerd. Hoe dat moet of kan, is ook vanuit cultuurhistorisch perspectief nog een zaak van oefenen, met nadruk op maatwerk.

Tegelijkertijd is het duidelijk dat het ruimtelijk ontwerp meestal niet het grootste probleem zal zijn, zo merkte Maarten Tas van het Stimuleringsfonds op: ‘Bij gemeenten en provincies blijft het vaak in plantoetsings- en juridische zaken steken.’ Ook gedeputeerde Jack van der Hoek lokaliseerde het grootste ongemak in de bestuurlijke sfeer, bij ‘de afstemming en regelgeving. Hoe maken we de combinatie van klimaat, woningbouw, mobiliteit, wat er in de ondergrond gebeurt; hoe bereiken we integraliteit?’ Dus is er wellicht als onderdeel van de energietransitie ook een serieuze bestuurlijke transitie en een juridische transitie noodzakelijk.

Uit de deelsessies met regionale studies sprak evenzeer de behoefte om te oefenen en om al doende nieuwe werkwijzen en instrumenten uit te vinden. Het is een bonte waaier, met wisselende accenten op energieconcepten, participatie, landschappelijke inpassing en bestuurlijke tools.

Eén idee sprong eruit door z’n eenvoud en effectiviteit, en doordat het terloops de essentie van de energietransitie blootlegt. Bij alle aandacht voor de complexiteit van het nieuw te maken energiesysteem vergeten we soms dat waarom deze operatie noodzakelijk is, namelijk ter vervanging van het oude systeem waarvan we zeer afhankelijk zijn geworden maar dat onhoudbaar is. Dat oude systeem, gebaseerd op fossiele brandstoffen, is verslavend comfortabel – maar heeft het ook nadelen? (Afgezien van het opraken en het klimaat.)

Ja, zo maakte een dia duidelijk die in Parkstad Limburg de bestuurders doet opveren in hun stoel. De dia stelt de eenvoudige vraag: ‘Hoeveel besteden wij nu met z’n allen aan energie?’ Een rekensom leert dat de inwoners van Parkstad zo’n 500 miljoen euro per jaar uitgeven aan energie, voor hun woning, hun bedrijf en hun auto. Een half miljard euro per jaar gaat nu het gebied uit, het vloeit weg naar Saoedi-Arabië of misschien het Shell-hoofdkantoor. Stel je voor dat we dat geld eens in eigen gebied konden houden… Zou de energietransitie dan zomaar kunnen verhuizen van de kolom Kosten naar de kolom Baten?

Tekst: © Landschapstriënnale

Plaats een reactie