‘De beek komt vanaf de Veluwe daarboven, loopt door dit park en door die wijk daar, en gaat dan onder het spoor naar een waterreservoir in de oude singel.’ Staand aan de rand van het Sonsbeekpark schetst iemand van de gemeente hoe de Sint Jansbeek door Arnhem stroomt. ‘In het centrum was de beek heel lag onzichtbaar. Maar sinds enige tijd stroomt het water weer bovengronds naar de Nederrijn.’
De oude waterloop was in vergetelheid geraakt. Vrijwel niemand wist nog dat Arnhem niet aan de rivier, maar langs de hoger gelegen oevers van de Jansbeek is ontstaan. Nu de beek zichtbaar is in het straatbeeld, komt die geschiedenis weer tot leven.
Het bovengronds brengen van de beek dient klimaatdoelen, zoals het bergen van overtollig regenwater of verkoeling tijdens hete zomerdagen. Maar het water blijkt vooral een pijler onder de herontwikkeling van de zuidelijke binnenstad. Na het mislukken van het megalomane Rijnboogplan – met de beruchte insteekhaven – sloeg de gemeente een andere toon aan. Niet het vastgoed, maar de herinrichting van de openbare ruimte werd leidend, met de Jansbeek als spil. Het water heeft de sleetse straten en pleinen een fris aangezicht gegeven.
Dat wij bepalen of en hoe het water stroomt – ooit dempten we de Jansbeek, eeuwen later halen we ‘m weer naar boven – was de rode draad in de Troonrede van het Landschap die schrijver Renske Jonkman op Prinsjesdag uitsprak in het hervormde kerkje van Rozendaal. We vinden het niet meer dan normaal dat we het water al eeuwenlang in ‘korsetten’ dwingen, door dijken aan te leggen, meanders af te snijden, stuwen en sluizen te bouwen en versmallingen aan te brengen.
Maar, vroeg Jonkman haar gehoor, is het wel zo vanzelfsprekend dat wij maar blijven sjorren aan onze waterlichamen? Achteloosheid ligt op de loer als niemand nog nadenkt over de weg die een waterdruppel aflegt tussen bron en zee. Terwijl we, sprak Jonkman, allemaal nauw verbonden zijn met de rivieren die door ons land stromen – stuk voor stuk in leven gehouden door ‘een ademhaling van luchtdruppels die opstijgen, landen en terugkeren’.
Ze greep haar rede aan om het water in omgekeerde richting te volgen, net als Remco Campert deed in zijn dichtbundel Vogels vliegen toch door te dromen van ‘een rivier die stroomt van zee naar de bergen’. De denkbeeldige tocht – waarbij Jonkman haar publiek peddelend meenam over de Rijn langs Keulen en Koblenz, langs de Lorelei, Wiesbaden, Mannheim en Basel, onderweg de littekens van ons ingrijpen gadeslaand, door de rotsige Rijnvalleien bij Chur en steil omhoog langs alpenweiden, om te eindigen bij het bergmeertje waar alles begint, door de Romeinen aangeduid als het grafmeer Lai da Tuma – is een hartstochtelijke oproep om vaker terug te kijken. In ons verlangen naar groei en vernieuwing gaan we nalatig om met datgene waar we vanaf stammen.
Overigens werd een deel van de verzonnen tocht werkelijkheid toen Jonkman deze zomer met haar dochters een vriendin in Arnhem bezocht. Op weer een snikhete dag wandelden ze door de uiterwaarden van de Rijn – de bodem vol barsten, de graslanden drooggevallen, lome Konikpaarden in de schaduw van een stalen brug. Over een overwoekerd pad kwamen ze bij een vogelkijkpunt. De wanden beklad met graffiti, de zwartgeblakerde tafel eerder in de fik gestoken. Jonkmans jongste dochter vond het er maar eng. Vlakbij een bord over het rijksprogramma Ruimte voor de Rivier. Het gebied blijkt bedoeld om overtollig water op te vangen. Alleen, dacht Jonkman, er is amper een rivier.
Na de troonrede wandelt Jonkmans publiek over het naastgelegen landgoed Rosendael, een waterlandschap in Barokke stijl vol vijvers, kanaaltjes en cascades. Onbewust doen ze precies wat Jonkman zoeven zo beschreef – ze volgen de weg van het water omhoog, richting de sprengkop die 850 meter verderop verscholen in het bos ligt. De gids verklapt dat er inmiddels sprake is van een sluiproute. Door de toenemende droogte neemt de waterdruk bij de bron af. Om de vele fonteinen, bedriegertjes en watervallen te laten werken, wordt water van beneden naar boven teruggepompt. Het is een route zoals Jonkman die niet bedoeld heeft.
Journalist Mark Hendriks volgt de Landschapstriënnale 2026 en vat zijn bevindingen samen in een aantal blogs. Deze stukken worden na afloop gebundeld in een Kroniek van het Landschap 2026.






