Kroniek #4 – En als we het nou niet afschuiven naar Groningen?

Kroniek #4 – En als we het nou niet afschuiven naar Groningen?

Je kunt lang en breed discussiëren over de zware klimaat-, energie- en verstedelijkingsopgaven die op het Hollandse landschap afkomen, maar je kunt ook gewoon beginnen met tekenen. Teken de mogelijkheden en beperkingen, en de discussie wordt prompt minder vrijblijvend. Dat kan de oogst zijn van de Summer School van de Landschapstriënnale, waarvan de studenten hun voorstellen op donderdag 7 september presenteerden.

Aan de Summer School deden 51 studenten landschapsarchitectuur uit binnen- en buitenland mee onder leiding van curator Rob van Leeuwen. Ze hadden de opdracht om de grote nieuwe programma-eisen met het bestaande landschap te verenigen. Dat moest in het tijdsbestek van slechts drie dagen, een krankzinnige korte periode die niet alleen garant stond voor korte nachten, maar ook voor grote en onbeschroomde ideeën die zich niet in details verliezen.

Voor het ontwerpend onderzoek was het gebied van de Metropoolregio Amsterdam (MRA) uitgekozen, het samenwerkingsverband van 32 gemeenten dat zich uitstrekt tussen Lelystad, de Haarlemmermeer, de Noordzee en ’t Gooi. Het is een geschikt studiegebied, mede dankzij de variatie aan landschapstypen en verstedelijkingsvormen.

Voor de Summer School was het gebied in acht delen opgeknipt. De studenten waren verdeeld over tien groepen: acht teams stortten zich op een deelgebied, en twee teams moesten het hele gebied overzien.

Immense opdracht

De opdracht die de studenten meekregen, is immens. Neem alleen al de opgave van de energietransitie. Als we willen afkicken van fossiele brandstoffen, en tegelijkertijd de welvaart willen behouden die we op basis van die brandstoffen hebben opgebouwd, dan zullen we grootschalige energieproductie in de eigen omgeving moet regelen. Die energieproductie zal lang niet zo discreet, netjes uit het zicht weggewerkt, kunnen zijn als voorheen. Een landschap van windmolens en zonnevelden zal ons in onze eigen omgeving de spiegel van onze energieconsumptie voorhouden.

Het energieverbruik in het MRA-gebied bedraagt in 2040 naar schatting ruim 200 petajoules (PT) per jaar (exclusief de energie voor verwarming die we nu nog uit aardgas halen). De omvang van de opgave wordt duidelijk als je beseft wat er voor één PT nodig is: 38 windturbines (van elk 3,3 megawatt), 251 hectare zonnepanelen, of ruim honderdduizend woningen met zonnedaken. De energiebehoefte van de metropool in 2040 staat dus gelijk aan de capaciteit van meer dan 7.700 windturbines. Het aantal windturbines kan omlaag als er grotere exemplaren worden gebruikt, maar in alle gevallen zijn ze prominent in het landschap aanwezig.

Het uitgangspunt van de Summer School was dat de helft van de energiebehoefte (101,7 PT om precies te zijn) in het landelijk gebied moet worden opgewekt. Dat zal vooral moeten gebeuren in de vorm van wind- en zonne-energie, aangevuld met biomassa. Elk van de acht groepen moest 13 PJ aan energieproductie in het eigen gebied onderbrengen. Van de twee overkoepelende teams kon het ene team uitgaan van een laag scenario, 95 PJ, en het andere van een hoog scenario, 110 PJ.

Andere eisen waren: plaats 62.000 woningen in het landelijk gebied; zorg dat de helft van de landbouwproductie duurzaam en regiogericht is; doe voorstellen voor wateropvang en tegen bodemdaling in het veengebied; verbindt stad en land beter; en doe dit alles met oog voor de eigen kenmerken en kwaliteiten van het landschap.

‘Doe het onmogelijke, en doe het in géén tijd’, zo vatte Rob van Leeuwen de opdracht samen. Het was vooraf al een unieke oefening, doordat het voor het eerst alle grote opgaven in één ontwerpstudie bijeenbracht. Sectorale studies naar toekomstige ontwikkelingen zijn er al, maar hier ontmoetten ze elkaar, en moesten ze samen een plaats vinden in een ruimtelijk ontwerp. De opdracht is ook uniek doordat ze op een welkome manier bestuurlijke grenzen negeert; de deelgebieden hebben een behoorlijke maat en ze zijn naar landschappelijke logica gekozen.

In eigen gebied

De opdracht bevatte tenslotte een ontsnappingsclausule die interessant is omdat-ie niet is gebruikt. Als een team meende dat het vereiste programma onmogelijk in het eigen gebied kon worden ondergebracht, mocht het met anderen onderhandelen over een uitruil. Niemand heeft dat gedaan. Het lijkt erop dat de studenten er een eer in stelden om de spelregels als een gegeven aan te nemen, en de opdracht hoe dan ook in het eigen gebied uit te voeren.

Het deed me denken aan de opmerking van een game-maakster van IJsfontein, eerder deze week tijdens de [L]-bijeenkomst over data en landschap. Deze nieuwe generatie is gewend aan games met duidelijke spelregels, merkte zij op. Ze accepteren de spelregels en onderzoeken wat daarbinnen mogelijk is. Zo ging het ook in de Summer School: er werd niet gezeurd over de moeilijke spelregels, ze werden benut om de ontwerpoefening aan te jagen.

Een sleutelmoment viel dan ook in de discussie na afloop. In de tien presentaties kwamen steevast grote aantallen windturbines voor, ook op plaatsen die als gevoelig en kwetsbaar bekend staan. Vanuit de zaal kwam de vraag of het ook anders kon: ‘Krijg je een aangenaam landschap, als je het hele energieprogramma in dit gebied concentreert? Zou je dat niet liever in bijvoorbeeld de provincie Groningen neerzetten?’

Een student kaatste onmiddellijk terug: ‘Vindt u dan dat het Groningse landschap inferieur is?’

De boodschap was duidelijk: je kunt wel schuiven met de windturbines en zonnevelden, maar dat kan geen vrijbrief zijn voor vluchtgedrag of voor het afschuiven van vervelende dingen naar elders. Dit alleen al lijkt mij een belangrijke bijdrage van deze studenten aan de discussie over het toekomstige landschap: wees streng voor jezelf, stel hoge eisen en sta jezelf niet toe te sjoemelen.

Sommige studenten gingen zover dat ze de massale zichtbaarheid van zon- en windenergiewinning niet alleen onontkoombaar achtten, maar zelfs toejuichten of er een opvoedkundige waarde aan toekenden als bijdrage aan maatschappelijke bewustwording. Zo mondde het voorstel voor de kuststrook – gegoten in een prachtige verhalende vorm – uit in een liefdesverklaring aan de windturbine, die niet alleen schone energie levert, maar ook esthetische schoonheid.

Ook vanuit de zaal werd een heilzaam effect verwacht, bijvoorbeeld door Landschapstriënnalevoorzitter Eric Luiten. Nu is er nog verzet tegen deze grote ingrepen in het landschap, maar volgende generaties zullen er geen moeite mee hebben omdat ze niet anders gewend zijn, meende Luiten.

Of is dat te optimistisch? Bewustwording en acceptatie zijn noodzakelijk in de energietransitie, maar er zijn onderweg ook keiharde conflicten te verwachten. Ook daarmee zal de ontwerpopgave zich moeten verhouden.

Staalkaart

Op een van de vele markante beelden uit de presentaties zien we de grillige vorm van het Alkmaardermeer overlappen met een strak raster van veertig windturbines. Het meer en het windpark zijn twee autonome vormen, waarvan de een niet ondergeschikt is aan de ander. Samen leveren ze een nieuw landschap op dat energie, waterberging, landbouw en recreatie bijeenbrengt.

Het is één van de mogelijke vormen die de grote nieuwe ingrepen in het oude land kunnen krijgen. Het kan ook anders. In de Flevopolder staan de windturbines ook strak in het raster, maar daar valt het raster samen met het landschap. In het kleinschalige landschap van ’t Gooi, daarentegen, probeert de plaatsing van de molens zich te voegen naar het bestaande boslandschap. En in de Vechtstreek staan de turbines in de langgerekte corridor van kanaal, spoorweg en snelweg.

Dit is de tweede bijdrage van de Summer School aan de gedachtevorming: een staalkaart van mogelijke ontwerpoplossingen. Deze eerste oefenstaalkaart bevat kleine en grote ideeën, prikkelende vondsten en interessante missers. Er moet nog veel worden verbeterd aan het repertoire, maar het begin is er.

Van de grote opgaven (energie , klimaat en water, verstedelijking, landbouw) kan één leidend zijn in het ontwerp en de overige volgend. Zo is de energie-opgave leidend in het lage scenario voor het hele MRA-gebied, en de water- en bodemdalingsvraagstukken in Waterland. De verstedelijkingsopgave overheerst het hoge MRA-scenario, waar een ‘nieuwe metropool’ wordt gedacht als verbinding tussen Amsterdam en Almere.

De aandacht kan ook gelijkmatiger zijn verdeeld. Zoals in Flevoland, waarin energieopwekking, waterberging en natuur elk eigen ‘eilanden’ krijgen in het landbouwraster. Ook in het eerder vermelde ‘Oer-IJ’-gebied tussen de Haarlemmertrekvaart en het Alkmaardermeer hebben alle opgaven eenzelfde gewicht gekregen.

Als algemeen beeld wordt duidelijk dat ruimtelijke functiescheiding op royale schaal nauwelijks nog mogelijk is. Menging of multifunctionaliteit is een voor de hand liggende aanpak om het zware programma onder te brengen. De oudere generaties in de zaal vonden dit een opmerkelijke trend. Er werd gesproken over ‘het einde van het modernisme’, en een breuk met de traditie van functiescheiding: ‘You’re offering us an image of fuzziness.’ Maar het kan ook worden uitgelegd als een aspect van verstedelijking. Het landelijk gebied wordt onvermijdelijk stedelijker in de intensiteit waarmee het wordt gebruikt, met meer functies op kleinere oppervlakten. Uitgestrekte monofunctionele gebieden zijn steeds moeilijker te handhaven.

Zo zien we wIndturbineparken die tevens recreatiegebieden zijn, zelfs op zee, hoge woongebouwen op open plekken in het bos in ’t Gooi, bossen die ook voedsel produceren, rijstteelt in Waterland, en een nieuwe generatie fietspaden geplaveid met zonnepanelen.

De relatie van de grote ingrepen met het bestaande landschap krijgt het gemakkelijkst vorm in de Flevopolder die toch al een grote maat heeft, en het lastigst in ’t Gooi. Soms biedt het landschap een goed aanknopingspunt voor de ordening, zoals in de Vechtstreek, waar de Vecht als grens is gebruikt tussen contrasterende ontwikkelingen in het westen en oosten. Voor de Haarlemmermeer wordt voorgesteld om het patroon van grondribbels dat bij de Polderbaan de geluidshinder verminderd, over de hele polder uit te breiden.

Van de bestaande landschapselementen spreekt de Stelling van Amsterdam tot de verbeelding, als een speelse aanknopingspunt voor nieuwe ontwikkelingen. Zo stelt het hoge MRA-scenario niet alleen een nieuwe metropool in het IJmeer voor, maar wil het ook de driekwartcirkel van de Stelling voltooien met een sliert eilanden in het Markermeer.

De studenten zijn niet al te zeer onder de indruk van bestaande gevoeligheden. Ze hebben er weinig moeite mee om de Hollandse veengebieden van Waterland en het Oer-IJ-gebied, die al eeuwen wegzinken onder de door mensen veroorzaakte bodemdaling, te benutten voor wateropvang. Daar zijn het immers de meest geschikte plaatsen voor. Het is een breuk met een eeuwenlange traditie van draineren, maar het kan evengoed worden uitgelegd als het rechtsomkeert maken uit een doodlopende weg.

Tekenend hardop denken

De Summer School was mede bedoeld om ruimtelijke beeldvorming op gang te brengen, en daarmee de gedachtevorming over ‘Het Volgende Landschap’ te voeden. De uitkomst is een waaier van treffende, schetsmatige, wilde, brutale, voorzichtige, zoekende, provocerende beelden, die geen van alle in de buurt van onmiddellijke uitvoering komen, maar die wel het gesprek kunnen scherpen.

Het is oefenen op het volgende landschap, in een getekende vorm van hardop denken die uitnodigen en uitdaagt om het hardop denken voort te zetten. En dat kan niet vrijblijvend: wie het niet eens is met een voorgestelde oplossing, verplicht zichzelf om een betere te tekenen.

Dat deze beelden door studenten zijn gemaakt, is een extra reden om hun bijdrage aan de beeldvorming serieus te nemen. Want de studenten van nu zijn de professionals van de komende decennia, degenen die de grote opgaven waarover nu wordt gesproken feitelijk zullen moeten ontwerpen. We zullen nog van ze horen.

Tien Studieontwerpen

 

Tekst: © Landschapstriënnale
Foto’s: © Daniël Nicolas

Deel dit bericht